De behandeling met bloeddrukverlagende geneesmiddelen wordt over het algemeen aangevuld met maatregelen zoals:

gewichtsverlies in geval van obesitas of zwaarlijvigheid
een wijziging van de voedingsgewoonten (minder zout, meer fruit en groenten)
lichaamsbeweging
stoppen met roken
alcoholgebruik verminderen (wijn, bier, sterkedrank,…)


Als deze gezondheids- en diëetmaatregelen niet volstaan, zal men (bovenop deze maatregelen!) een behandeling met geneesmiddelen dienen te nemen.

Er bestaan 7 groepen bloeddrukverlagende geneesmiddelen en het is niet abnormaal wanneer 2 of 3 verschillende geneesmiddelen tegelijkertijd ingenomen moeten worden:

de diuretica veroorzaken een vocht- en zoutafdrijving via de nieren
de bètablokkers verminderen de invloed van het zenuwsysteem op het hart- en bloedvaatstelsel
de calciumantagonisten zetten de bloedvaten open door de calcium-opname in de vaatwand te beperken
de angiotensine conversie verhinderen de vorming en de werking van het slagadervernauwende angiotensine II
de centraalwerkende antihypertensiva
de alfablokkers beperken de werking van bepaalde hormonen die de bloedvaten vernauwen


De arts kiest het meest geschikte geneesmiddel voor een bepaalde patiënt en houdt rekening met de ernst van de hypertensie, de levenswijze van de patiënt, de risicofactoren en eventuele ziektes.

De arts zal beginnen met de laagste dosis, maar wanneer de druk niet voldoende daalt of wanneer de patiënt nevenwerkingen vertoont, zal de arts op een ander geneesmiddel overgaan. Het is dus niet ongewoon dat de arts meerdere geneesmiddelen uitprobeert voor hij het geneesmiddel vindt dat het beste bij de patiënt past.


Bij meer dan 50 % van de patiënten volstaat één geneesmiddel niet om de bloeddruk
te normaliseren en zal het nodig zijn een tweede of zelfs een derde toe te voegen.


De behandeling zou de systolische en diastolische bloeddruk tot respectievelijk onder 140 en 90 mmHg moeten laten dalen bij het merendeel van de patiënten die aan arteriële hypertensie lijden. De cijfers betreffende de bloeddrukwaarden die bereikt moeten worden, zijn lager in het geval van diabetes of nierziekte.